Waarom er geen ‘Hoe maak je een boekpresentatie?’ komt

Waarom er geen ‘Hoe maak je een boekpresentatie?’ komt

Ik krijg veel leuke reacties op de A4tjes Hoe maak je een werkstuk? en Hoe maak je een spreekbeurt? En ook vragen. Voor de zomervakantie kreeg ik het verzoek of ik ook een variant wil maken over de boekpresentatie of de boekenbeurt. Leuke vraag, dacht ik, daar ga ik me eens in verdiepen. Het pakte anders uit dan ik had verwacht. Hieronder een verslag van mijn zoektocht.

Wat is een boekpresentatie?

Op internet zijn allerlei documenten te vinden voor het houden en beoordelen van boekpresentaties. Over het algemeen is dit de opzet:

  1. Vertel de titel van het boek en waarom je voor het boek hebt gekozen.
  2. Vertel wie de schrijver is.
  3. Vertel wie de illustrator is.
  4. Vertel wie de uitgever is en in welk jaar het boek is uitgekomen.
  5. Geef een samenvatting van het verhaal.
  6. Lees halve tot hele bladzijde voor uit het boek.
  7. Geef je mening over het boek.
  8. Beantwoord vragen van je klasgenoten.

Ik herken het lijstje en vraag me af hoe deze opzet is ontstaan. Kinderen leren de geboorteplaats schrijver uit hun hoofd. Zijn bang dat ze het jaar waarin het boek is uitgekomen vergeten of de maand waarin de illustrator is geboren. Sommige kinderen zijn enorm zenuwachtig voor de presentatie. Op zich goed om te oefenen met presenteren, maar hiermee krijgen boeken en lezen ook een bepaalde lading.

Ik begin me af te vragen of dit wel zo’n handige vorm is. Wat willen we de kinderen hier mee leren? Dat boeken lezen leuk is? Misschien komt die boodschap hiermee niet echt over…

Kerndoelen

Wat staat er eigenlijk in de kerndoelen over boekpresentaties? Dat moet te vinden zijn bij kerndoel 9: De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten. De leerlijn van het SLO geeft uitgebreidere informatie.

Wat doen de kinderen?

In de uitwerking van de leerlijn bij dit kerndoel beschrijft het SLO voor groep 5/6:

Lezen:

  • de kinderen lezen dagelijks met plezier eigen gekozen teksten en boeken;
  • ze herkennen verschillende genres;
  • ze krijgen inzicht in eigen voorkeuren voor bepaalde genres en auteurs.

Voorlezen:

  • de kinderen lezen voor aan klasgenoten;
  • ze luisteren naar voorgelezen verhalen, gedichten, en andere teksten;
  • ze lezen zelfgeschreven teksten voor (als ze dat willen).

Activiteiten rond boeken, verhalen, poëzie:

  • de kinderen praten en discussiëren met groepsgenoten over gelezen boeken, bijvoorbeeld aan de hand van stellingen;
  • ze schrijven naar aanleiding van een boek, bijvoorbeeld: een vervolg schrijven aan het eind van een hoofdstuk, een reclametekst voor het boek maken;
  • ze doen aan drama, bijvoorbeeld een hoorspel maken naar aanleiding van het verhaal, verteltheater;
  • ze maken een plattegrond/kaart, fantasiebeesten, gebouwen of andere dingen uit het boek en maken daarbij gebruik van beeldende mogelijkheden van beeldaspecten en materialen (zie leerlijn bij kerndoel 54 beeldende vorming).

Schrijven:

  • de kinderen schrijven veel verschillende soorten teksten met verschillende doelen en voor een divers publiek.

Een activiteit als een boekpresentatie staat er niet tussen. Voorlezen in de klas, vaak een onderdeel van de boekpresentatie, staat er wel bij. Als plezier in lezen centraal staat, is een boekpresentatie dan wel een goede vorm? Leren kinderen daarvan praten en discussiëren over boeken? Leren ze daardoor verschillende genres en hun eigen voorkeuren kennen?

Wat doet de leraar?

Bij de uitwerking staat ook wat van de leraar verwacht wordt. Een selectie uit deze lange lijst:

  • De leraar introduceert elke week boeken van uiteenlopende aard, bij voorkeur aansluitend bij een onderwerp dat in de klas aan de orde is of bij een actuele gebeurtenis of boeken die kinderen zelf meenemen, met als doel kinderen enthousiast te maken dat boek te lezen.
  • Ze organiseert regelmatig boekenkringen of boekbesprekingen waarin de kinderen leeservaringen uitwisselen.
  • De leraar zorgt voor betekenisvolle momenten voor het voordrachtslezen: kinderen oefenen ermee omdat ze het later gaan voorlezen aan anderen.

Het eerste dat opvalt is dat in bij het eerste bolletje iets staat wat je een boekpresentatie zou kunnen noemen. Alleen… de leraar presenteert. Bij het tweede bollejte valt op dat er net ander woorden worden gebruikt: een boekenkring of een boekbespreking om leeservaringen uit te wisselen. Het lijkt me sterk dat een boekpresentatie dan de juiste vorm is. En betekenisvolle momenten om voor te lezen, dat moet ook anders kunnen.

Praten over boeken

Als het gaat om leeservaringen uitwisselen, dan kom je al snel uit bij Aiden Chambers. Hij is schrijver, maar ook iemand met een enorme passie voor booktalk. Booktalk wordt in Leespraat vertaald met ‘praten over boeken’. De ideeën van Chambers komen voort uit zijn jarenlange ervaring in het onderwijs. Met zijn collega’s praatte hij uitgebreid met kinderen over boeken en lezen. In zijn boeken ‘De Leesomgeving’ en ‘Vertel eens’ biedt hij een andere invulling voor de uitgelichte elementen van kerndoel 9.  Beide boeken zijn later samengevoegd in Leespraat.

De Leesomgeving

Allerlei factoren beïnvloeden de lezer. Niet alleen plaats en tijd spelen een rol, maar ook stemming, rust, aanbod van boeken, sociale context, etc. In dit deel staat ook een stuk over voorlezen. Ik pik eruit wat in het kader van voordrachtslezen belangrijk kan zijn.

Elke vorm van schrijven kun je zien als een soort toneeltekst die je tot leven kunt brengen. Dat leer je het beste door te luisteren naar iemand die uit de voeten kan met interpunctie en ritme. Iemand die gedrukte woorden kan omzetten in bewegende, pratende wezens. En natuurlijk door te oefenen.

Chambers wijst erop dat voorlezen iets heel anders is dan vertellen. Voorlezen is een indirecte vorm van communicatie. De tekst staat al vast en de voorlezer en luisteraar kijken elkaar niet aan. Haperingen of toelichtingen zijn storend. Als de voorlezer vooraf de tekst heeft gelezen, komt deze niet voor verrassingen te staan. Laat dus teksten voorlezen die bij het niveau passen. En zorg dat de voorlezer de tekst vooraf gelezen heeft.

Voorlezen loopt ‘natuurlijk’ als je je veilig voelt bij de gekozen tekst.
(Chambers, 2011, p52)

Vertel eens

Centrale vraag in dit boek is: ‘Hoe kun je kinderen helpen om goed te praten over datgene wat zij gelezen hebben?’ Goed praten over boeken kun je leren. En goed luisteren naar wat anderen zeggen ook.

Begin met ‘Vertel eens’-gesprekken. Dat brengt je dichter bij de kern. Wie het gesprek leidt, stelt vier basisvragen:

  • Wat vond je leuk, mooi of goed aan dit boek?
  • Wat vond je niet leuk (mooi of goed)?
  • Wat vond je moeilijk of onduidelijk?
  • Zag je een patroon of bepaalde verbanden?
    Samenhang in motieven, gebeurtenissen, personen, symbolen, enzovoort

Bij het praten over boeken komen deze elementen steeds terug. In het begin vinden lezers het moeilijk om te delen wat ze ergens van vinden. Als leerlingen vertrouwd raken met dit soort gesprekken, beginnen ze meteen bij de moeilijkheden en patronen. Omdat ze weten dat dat hen meer oplevert.

Praten over boeken heeft alles te maken met de behoefte om je genoegen of ongenoegen onder woorden te brengen; nieuwe gedachten te formuleren om te horen hoe ze klinken; dat wat het verhaal heeft losgemaakt boven tafel te halen, tene het licht houden en bekijken, zodat je er greep op krijgt.
(Chambers, 2011, p96)

Naast de basisvragen staan in het boek nog een heel aantal algemene vragen en speciale vragen. Deze vragen geven richting. Ze zijn bedoeld om de leerkracht te steunen en te inspireren. ‘Vertel eens’ is geen methode of handleiding.

Voorbeeld

Een mooi voorbeeld van praten over boeken vond ik bij ‘de Bibliotheek op school’. Groepsleerkracht Jan de Jong laat met zijn groep zien hoe je met de vragen van Chambers kunt werken. De kinderen lezen eerst in de kring uit hun boek. Daarna laat hij de leerlingen met behulp van kaartjes vragen stellen aan elkaar. Spontaan vertellen ze over hun boek en soms lezen ze een stukje voor.

Door in de kring te praten over boeken maken de leerlingen elkaar enthousiast over hun boek. De vragen helpen om wat dieper op de onderwerpen in te gaan. Het gaat vooral om de beleving, er is geen goed of fout.

Waarschijnlijk maakt deze leerkracht gebruik van de kaartjes uit het vragenspel.

Leeservaringen delen

Vertel eens over het boek wat je hebt gelezen. Deze vraag hebben de boekenbeurt en booktalk gemeen. De uitwerking is totaal verschillend.

In mijn ogen mist de boekpresentatie het doel. Waarom? Door de vorm van de boekpresentatie krijgen het presenteren en het overbrengen van feitelijke informatie een grote rol. Beide dragen niet bij aan het echte doel: leeservaringen delen. Ik vraag me af of de feitelijke informatie er überhaupt toe doet voor de leeservaring. Maakt het uit wie het verhaal heeft geschreven? Of wie de uitgever is? Daarnaast vind ik het onverstandig om ‘leren presenteren’ te koppelen aan lezen of boeken. Natuurlijk is leren presenteren belangrijk, maar dat kan op zoveel andere manieren. Leesplezier is hiervoor te kostbaar.

Wat dan? Alsjeblieft, praat over boeken. Je kunt daarbij gebruik maken van de ervaring van Chambers, zijn bevindingen, zijn manier van vragen stellen. Het onder de knie krijgen van een vorm als een ‘Vertel eens’-gesprek kost misschien tijd, maar lijkt me ook veel voldoening geven. Leer het samen met de leerlingen. Kijk video’s met Aidan Chambers, bijvoorbeeld deze workshop Praten over boeken. Geniet ervan om samen met de leerlingen dingen te ontdekken, patronen te vinden, personages te vergelijken. Leer kinderen hun mening te geven, hun beleving en interpretatie van een verhaal delen met anderen.

Bronnen

Chambers, A. (2011). Leespraat. De leesomgeving. Hoe volwassenen kinderen kunnen helpen meer te genieten van boeken. & Vertel eens. Kinderen. lezen & praten. [Tell me / The Reading Environment] (J. Linders, Vert.). Leidschendam, NBD Biblion

2017-10-05T06:19:39+00:00